Jan Frans Willems
Boechout, 11 maart 1793 - Gent, 24 juni 1846
Als jong schrijver publiceerde Jan Frans Willems vaak polemische stukken waarin hij het opnam voor het behoud en de ontwikkeling van het Nederlandse taal- en volksbewustzijn. In die tijd was Vlaanderen nog ingelijfd bij Frankrijk.
Vanaf 1815, na de overwinning op Napoleon in Waterloo, vond hij dat de natuurlijke bestemming van Vlaanderen in een nauwere aansluiting bij het Noorden lag. Hij droomde van de herenigde Nederlanden als een welvarende staat waar het Nederlands als moedertaal erkend zou worden en als bestuurstaal zou gelden, een staat met grote economische mogelijkheden in Europa en de wereld, met meer begrip tussen katholieken en protestanten, met beter onderwijs voor iedereen en met voldoende aandacht voor kunst en cultuur.
Vlaanderen was immers te lang bestuurd vanuit het buitenland. De lagere standen waren al die tijd analfabetisch en onmondig gehouden en de hogere burgerij, de middenstand, het onderwijs, het gerecht en het bestuur waren grondig verfranst.
Vanaf de onafhankelijkheid van België in 1830 gaat hij zich meer terugtrekken in zijn studeerkamer. Vanaf dan ontwikkelt hij vooral initiatieven die de heropbloei van de Nederlandse taal en cultuur bevorderen. Zijn aandacht gaat vooral uit naar de uitbouw van zijn bibliotheek, het verzamelen van oude liederen, het uitwerken van een eenvormige spelling, het publiceren van moderne bewerkingen van Middeleeuwse teksten en de uitgave van zijn tijdschrift ‘Belgisch Museum’. Daardoor oogst Jan Frans Willems ook erkenning in het buitenland. In België wordt hij intussen door velen beschouwd als de vader van de Vlaamse Beweging.